Twee nieuwe working papers van Paul de Beer

WP 162: De arbeidsmarkt in 2040.
Ingrijpende veranderingen, maar ook veel continuïteit

Paul de Beer

Hoofdpunten

Hoe zal de arbeidsmarkt er in 2040 uitzien?

De komende 25 jaar zal zich naar verwachting een aantal ingrijpende veranderingen voltrekken, maar een aantal andere aspecten van de arbeidsmarkt zal betrekkelijk weinig veranderen.

De belangrijkste veranderingen worden vermoedelijk niet veroorzaakt door veel besproken trends als technologische ontwikkeling, flexibilisering en vergrijzing. Het zijn juist de tragere, maar gestage veranderingen die minder in het oog lopen, die de meest ingrijpende gevolgen hebben. Dat zijn de trends van de opmars van de werkende vrouw, de explosieve groei van deeltijdwerk, het langer doorwerken, de verdere groei van de dienstensector en de toename van het aantal hoog opgeleiden. In 2040 zullen/zal:

  • evenveel vrouwen als mannen betaald werk hebben;
  • drie op de vier werkenden een deeltijdbaan hebben;
  • we gemiddeld tot 68-jarige leeftijd doorwerken;
  • de helft van de beroepsbevolking hoog opgeleid zijn;
  • nog maar een op de twintig werkenden in de landbouw, industrie of bouwnijverheid emplooi vinden.

Tegelijkertijd zal de arbeidsmarkt in een aantal andere opzichten betrekkelijk weinig veranderen. In 2040 zullen/zal:

  • de helft van de werkenden 45 jaar of ouder zijn (nu is de helft ouder dan 42 jaar);
  • drie op de vijf werkenden nog altijd een vast contract hebben (nu twee op de drie);
  • we gemiddeld 12 jaar, een jaar langer dan nu, bij dezelfde baas werken;
  • we per uur een derde meer produceren dan nu;
  • nog steeds drie op de tien banen elementaire en lagere banen zijn (evenveel als nu);
  • er geen grote onderklasse zijn ontstaan.

Een ontwikkeling die hier verder onbesproken blijft is de (im)migratie, omdat deze, ten eerste, onmogelijk te voorspellen is, en, ten tweede, in kwantitatief opzicht waarschijnlijk een beperkt effect zal hebben op de toekomstige arbeidsmarkt.

De belangrijkste beleidsimplicatie van deze constanten en veranderingen is, dat instituties op het gebied van arbeidsmarkt en sociale zekerheid niet gebaseerd kunnen blijven op een standaard mannelijke voltijd werknemer met een ononderbroken loopbaan in een vaste baan. De variatie aan arbeidspatronen – arbeidsduur, contractvorm, loopbaan, sekse – zal zo groot worden dat er feitelijk geen standaard werkende meer is. Dit roept vragen op over de grondslag voor regelingen als het minimumloon, de werknemersverzekeringen en de pensioenen.

Tegelijkertijd betekenen de geschetste constanten dat er geen directe aanleiding is om de bestaande stelsels van sociale zekerheid en pensioenen ingrijpend te hervormen. Als het overgrote deel van de werkenden nog altijd een min of meer duurzame band met een bedrijf heeft en de arbeidsmobiliteit eerder afneemt dan toeneemt, kunnen sociale verzekeringen en pensioenen ook in de toekomst de werknemer in loondienst als uitgangspunt blijven nemen. Dat laat onverlet dat er discussie gewenst is over de vraag of er meer (al dan niet wettelijke) voorzieningen moeten komen voor degenen die niet in loondienst zijn, in het bijzonder de zzp’ers.

WP 163: Prognose van het voorzieningengebruik in 2040

Paul de Beer, Eelco de Jong

Hoofdpunten

Het effect van de demografische ontwikkeling en de verhoging van de AOW-leeftijd op het voorzieningengebruik door de beroepsbevolking in de komende 25 jaar zal beperkt zijn.

In een basisscenario, waarin alleen rekening wordt gehouden met de demografische ontwikkeling en niet met veranderingen in de arbeidsparticipatie en de verhoging van de AOW-leeftijd, zal de bevolking tot 65 jaar in 2040 ruim een kwart miljoen (16%) minder uitkeringen ontvangen dan in 2014. Deze daling zal overigens pas na 2025 inzetten en is een gevolg van het feit dat de omvangrijke babyboomgeneratie, die op oudere leeftijd relatief veel gebruik maakt van uitkeringen, dan geheel met pensioen is.

In een meer realistisch scenario wordt rekening gehouden met de verhoging van de AOW-leeftijd en veranderingen in de arbeidsdeelname. De AOW-leeftijd zal de komende jaren stapsgewijs worden verhoogd tot 67 jaar in 2021 en daarna worden gekoppeld aan de levensverwachting. Dit betekent dat de AOW-leeftijd in 2040 vermoedelijk 69 jaar en 3 maanden zal bedragen. Voor de ontwikkeling van de arbeidsparticipatie wordt in dit scenario uitgegaan van een prognose van het CPB uit 2014. In deze prognose neemt de arbeidsdeelname van vrouwen in alle leeftijdscategorieën licht toe en stijgt de arbeidsdeelname van ouderen fors.
Door de verhoging van de AOW-leeftijd groeit zowel de bevolking onder de AOW-leeftijd als de totale werkzame bevolking nog tot 2022, maar daarna beginnen deze licht te dalen. Doordat ouderen een groter beroep doen op de WW en de WIA/WAO dan jongeren, stijgt het gebruik van deze uitkeringen aanvankelijk. Het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen stijgt tot 2027 met 16% ten opzichte van 2014, maar neemt daarna weer af. In 2040 is het aantal van deze uitkeringen nog 11% hoger dan in 2014. Het aantal Wajong-uitkeringen neemt in dit scenario fors af, met 22% in 2040, terwijl het aantal bijstandsuitkeringen met 9% daalt. Het totale aantal uitkeringen zal in 2025 naar verwachting 9% lager liggen dan in 2014. Uitgedrukt in procenten van de bevolking tussen 15 jaar en de AOW-leeftijd daalt het aantal uitkeringen van 15,1% in 2014 naar 13,6% in 2040.

In een alternatief scenario wordt het aantal WIA- en WAO-uitkeringen berekend op basis van het saldo van de instroom in en de uitstroom uit deze regelingen. Dit blijkt nauwelijks invloed te hebben op de uitkomsten van de prognose.

De prognoses zijn gebaseerd op ongewijzigd beleid, waarbij de gevolgen van de laatste beleidswijzigingen, in het bijzonder de verkorting van de WW-duur en de invoering van de Participatiewet, nog niet zijn meegenomen omdat daarover nog geen cijfers beschikbaar zijn. Waarschijnlijk zullen deze recente wijzigingen leiden tot een kleiner beroep op de sociale zekerheid.

De conclusie kan dus luiden dat de demografische ontwikkeling en de verhoging van de AOW-leeftijd per saldo niet zullen leiden tot een groter gebruik van sociale voorzieningen door de bevolking onder de AOW-leeftijd.

 
| More